THE DESERT SONG

door Jac van den Boogard

De Opera Comique zal in het Theater aan het Vrijthof op zaterdag 22 april en zondag 23 april 2017 Sigmund Rombergs operette The Desert Song op de planken brengen. Na bijna  zeventig jaar klinkt opnieuw het ‘lied van de woestijn’ in Maastricht.

Kameeldrijver en haremmeisje

We schrijven het jaar 1948. De lichten in het zomers warme openluchttheater van Valkenburg gaan langzaam uit. Het geroezemoes van het publiek verstomt. Het orkest zet de eerste tonen in van de ouverture tot ‘Het lied der woestijn’. Een  woestijn  landschap licht op; de bordkartonnen zandvlaktes, struikgewas en een enkele eenzame palmboom van papier maché roepen een ‘fata morgana’ op, terwijl in de ouverture de melodie klinkt van het muzikale thema, het ‘love theme’ van de romance tussen de twee hoofdrolspelers in ‘The Desert Song’, Margo en Pierre, alias de Rode Schaduw. Een  jongen uitgedost als Bedoeïen loopt uit de coulissen het toneel op, het hoofd omwonden met een Arabische hoofdtooi; hij voert een kameel mee aan de teugels.

Die jongen met de kameel was mijn vader. Dikwijls heeft mijn vader in geuren en kleuren verteld hoe hij met knikkende knieën met een heuse kameel het toneel op moest in het openluchttheater, terwijl het beest zijn hete adem in zijn nek blies.

En dan ook nog  eens blijven zingen!

Voor mij ligt een oude foto. Zo’n mooie ouderwetse zwart wit foto met een kartelrandje. Daar zit mijn jeugdige vader (23 jaar) uitgedost als kameeldrijver; aan zijn voeten vlijt zich mijn moeder (24 jaar) uitgedost als haremdame. Een foto van een – gekleed naar de smaak van toentertijd – exotisch ogend Oosters koppel, in 1948 op de gevoelige plaat vastgelegd, een koppel dat in het verkeerde decor lijkt te zijn terecht gekomen; in een licht armetierig jaren veertig interieur met een schriel bosje witte rozen in de achtergrond.

Ze traden samen op in ’Het Lied der Woestijn’. Daar begon hun romance. De muziek van Sigmund Rombergs Amerikaanse operette werd de soundtrack van hun huwelijksleven.

Sigmund Romberg

De Amerikaanse dirigent en componist Zsigmund Romberg (1887-1951) was van Hongaarse afkomst, geboren in een Duits Joodse familie. Op zesjarige leeftijd kreeg hij vioollessen en vanaf zijn achtste verjaardag pianolessen. Zijn ouders wilden dat hij ingenieur werd, maar nog tijdens zijn studie aan het Polytechnisch instituut in Wenen bekwaamde hij zich in de compositieleer. Hij beleefde de late bloeiperiode van de Weense operette met Franz Lehár, Robert Stolz en Emmerich Kálmán. In 1909 emigreerde hij naar New York, waar hij als barpianist in zijn levensonderhoud voorzag door optredens in een café aan Second Avenue en in verschillende restaurants. Zijn eerste liederen voor het muziektheater componeerde hij in 1913. Zij werden vaak uitgevoerd en dat succes verzekerde zijn toekomst als Broadway-componist. In 1917 had Romberg al meer dan driehonderd liederen voor zeventien musicals en revues geschreven, maar zijn grootste successen bereikte hij met operettes in de Europese traditie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij in het amusementsonderdeel van het Amerikaanse leger. Zijn eerste vijf musicals na de Eerste Wereldoorlog vonden maar weinig waardering bij het publiek, maar in september 1921 verwerkte hij het tragische leven van Franz Schubert onder de titel Blossom Time in een operette, waarmee hij in het Ambassador Theatre veel succes had. Op 2 december 1924 ging The Student Prince in première. Het was een zogenoemde ‘tragische’ operette, een vorm die Romberg van Franz Léhar had overgenomen. Het stuk werd een kaskraker, die het pad baande voor het grote succes van The Desert Song uit 1926. Drie jaar later schreef hij zijn eerste filmmuziek  voor de verfilming van The Desert Song (1929) van regisseur Roy Del Ruth (1893-1963).  Andere Hollywoodproducties volgden. Alhoewel zijn Broadway-musicals in de jaren 1930 meestal niet bij het publiek aansloegen, werden veel van zijn filmliederen hits. In 1941 stelde Romberg een orkest samen, dat kort na de Japanse aanval op Pearl Harbor op tournee ging. De eerste drie concertreizen waren een fiasco, maar de vierde concertreis begon 1943 in Carnegie Hall en werd een succes. In 1945 ging op Broadway de laatste Romberg-musical van start, die weer een kaskraker werd, Up In Central Park.

Sigmund Romberg overleed in 1951. Hij werd begraven op het Ferncliff Cemetery in Hartsdale, Westchester County (New York), waar ook vele andere bekende Amerikanen hun laatste rustplaats gevonden hebben.

The Desert Song

Toen The Desert Song met de muziek van Sigmund Romberg op een libretto van het trio Otto Harbach, Oscar Hammerstein II en Frank Mandel voor het eerst op Broadway werd uitgevoerd in het ‘Casino Theatre’ in 39th street, was het nog niet duidelijk dat de operette zo lang en zo succesvol op Broadway zou staan.  The Desert Song en zijn aanstekelijke songs ging een glorieuze toekomst tegemoet met talloze uitvoeringen in talloze steden, in talloze verschillende producties en niet te  vergeten talloze revivals zoals de voorstellingen door de Opera Comique in het voorjaar van 2017. Het stuk is maar liefst drie keer verfilmd, waarvan de verfilming met  de beroemde lyrische tenor Mario Lanza (Philadelphia 1921 – Rome 1959) in de hoofdrol de bekendste is. De goodlooking  jong gestorven zanger Mario Lanza nam de songs van Romberg ook op grammofoonplaat op. De elpee werd postuum gereleased (1960) en werd in 1989 op cd heruitgebracht.[1]

‘Attractive as these songs are, they also have substance. All of them – even the lighter, comedic airs – “sound”. Fine songs, fine voices, fine orchestra, fine direction in its various phases… we might repeat that word, both to note aural qualities and craftmanship: “sound”.’ [2] schreef een muziekcriticus (1960).

De Ouverture is een compilatie van de meest geliefde Romberg- ‘hits’ uit de operette. Werkelijk operawaardig  en bekend als de titel song van Rombergs compositie is het duet getiteld The Desert Song. The French Military – Marching Song is een lied voor sopraan, koor en orkest dat eindigt in een vrolijke mars. De melodie van The Riff Song vertolkt de Oosterse sprookjessfeer met een stormachtig crescendo, dat te horen is in het krachtige  woord ‘Ho’ aan het begin van elk refrein. De songs I want a kiss, Let love go-One flower in your garden zijn de eerste twee songs van een sequentie van drie songs in de operette, die wordt aangeduid als ‘Oriëntaalse liefde en Westerse liefde’. De derde song van deze trits is de  finale van het stuk: One Alone. Azuri’s Dance is een instrumentale en vocale evocatie van de Oriënt. De song Then you will know is een lied vol romantiek, evenals Romance, een van de meest populaire composities van Romberg voor sopraan solo.  One good boy gone wrong is weer een up tempo vrolijke mars die de opmaat vormt tot de uitsmijter van The Desert Song, de tenor aria One alone. Dan valt het doek en volgt een ovationeel applaus.

Synopsis

Het verhaal speelde zich af in Marokko rond een soort Lawrence of Arabia–figuur (The Red Shadow), Pierre Birabeau, de zoon van de Franse militaire gouverneur. De inspiratie voor het verhaal was de opstand van de Marokkaanse Riffs tegen het Franse koloniale bewind (in 1925). Daarnaast was de  historische figuur van Lawrence of Arabia een belangrijk inspirator. Bovendien waren geromantiseerde verhalen over de oriënt toentertijd bijzonder populair. Vergelijk bijvoorbeeld de populariteit van Rudolf Valentino in de zwijgende film De Sjeik (1921).

De intrige van The Desert Song voert een Franse generaal Birabeau ten tonele die naar Marokko wordt gestuurd om de Riffs te bestrijden, een bende Arabische rebellen.

Hun leider was de mysterieuze ‘Rode Schaduw’, in werkelijkheid een Fransman. De Rode Schaduw, zijn Arabische luitenant, Sid El Kar, en hun welgestelde gastheer, Ali Ben Ali zijn in discussie over de  oriëntaalse traditie in de liefde voor het fenomeen van de harem (te vergelijken met een tuin vol geurende bloemen) en het westerse ideaal om van één vrouw alleen een leven lang te houden. Margot Bonvalet, een charmant Frans meisje, zal spoedig in het huwelijk treden met Birabeau’s rechterhand, kapitein Fontaine. Birabeau’s zoon, die in werkelijkheid de Rode Schaduw is, is smoorverliefd op Margot, maar doet zich als een sukkel voor om zijn dubbele identiteit te verhullen. In het verhaal zorgen de reporter Benny en het meisje dat verliefd op hem is, Susan, voor een komische neven intrige.

Margot vertrouwt Pierre toe dat ze in het geheim ervan droomt door een knappe sjeik te worden ontvoerd, ja het liefst door de beruchte Rode Schaduw!  Dat is niet aan dovemans oren gezegd want Pierre, immers de Rode Schaduw zelf, kidnapt Margot en verklaart haar zijn liefde. Tot haar grote verrassing (misschien wel teleurstelling) behandelt haar mysterieuze ontvoerder haar met respect en typisch Westerse  consideratie. Als het tot een confrontatie komt tussen de Rode Schaduw en generaal Birabeau, daagt de oude militair de rebellenleider uit tot een duel. Uiteraard wil Pierre zijn eigen vader niet de dood injagen, dus weigert hij het tot een duel te laten komen en verliest daardoor het respect van zijn rebellen, de Riffs.

Azuri, een Oriëntaalse danseres, die het geheim van de ware identiteit van de Rode Schaduw kent, is bereid dat geheim te onthullen als ze daarmee het hart kan veroveren van kapitein Fontaine. Tenslotte wordt de Rode Schaduw ontmaskerd als Pierre Birabeau, er wordt een deal gesloten met de Riffs en – eind goed al goed – Pierre en Margo leven nog lang en gelukkig.

Het lied der woestijn

The Desert Song zal in 2017 op de planken worden gebracht onder de oorspronkelijke Engelse titel, maar in de jaren 1940 nam de ‘Mastreechter Operette Vereiniging’ het stuk op het repertoire onder de ouderwetse vertaling: het lied der woestijn. De operette werd met veel succes opgevoerd in de Bonbonnière en hartje zomer in het openluchttheater in Valkenburg. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog, de schrale jaren van de wederopbouw, was er een grote behoefte aan amusement. Men wilde de oorlogsjaren en alle oorlogsleed achter zich laten en vergetelheid zocht men in amusement, in de bioscoop en in het theater. Meer dan een decennium lang na 1945 was Het Lied der Woestijn dé zomerse kaskraker in het Valkenburgse Openluchttheater. Uiteraard lag het voor de hand dat de keus in die naoorlogse jaren niet direct viel op het Duitstalige operetterepertoire. Dat was uit den boze ofschoon men in Maastricht en in Zuid-Limburg überhaupt muzikaal al sedert medio de negentiende eeuw georiënteerd was op Duitsland. Een avondje uit voor de oorlog betekende voor muziekminnaars in Maastricht en omgeving niet alleen een bezoek aan de opera in Luik, maar toch ook vooral een avond in de opera van Aken, waar grotere muziektheaterproducties konden worden gerealiseerd dan in de Bonbonnière.

Na de oorlog kon van die voorkeur voor het Duitse repertoire geen sprake meer zijn. De keus viel nu na 1945 op het Angelsaksische operette- en musicalrepertoire dat men zo lang niet had gehoord en waarmee men in de bevrijdingstijd – Maastricht was Nederlands eerste bevrijde stad op 13 september 1944 – kennis had gemaakt door de Amerikaanse bevrijders; de ‘happy go lucky young guys’ brachten niet alleen de muziek van Glen Miller en Benny Goodman naar  Europa, maar ook de musical en Amerikaanse operette. Waren Heinz Rühmann, Marika Rökk (‘ein Herz von Paprika’), Zarah Leander (die ’Ich weiss es wird ein Wunder geschehen’ zong, terwijl ze op het witte doek omhoog tuurde naar de Duitse bommenwerpers richting London!) en ‘Reichswasserleiche’  Christina Söderbaum, de sterren die in tientallen UFA films het (muzikaal) entertainment in oorlogstijd hadden bepaald, het was na de bevrijding not done het repertoire van deze met Nazi cultuurminister Joseph Goebbels collaborerende artiesten te waarderen. De  nieuwe Angelsaksische sterren  aan het muzikale firmament heetten Vera – we’ll meet again – Lynn of  Benny Goodman, virtuoos op de jazzklarinet. In de Amerikaanse operette op het witte doek schitterden voor alles de charmeur Nelson Eddy en vurige soubrettes als Jeannette Macdonald en Deanna Durbin of de dansende en zingende schaatsster Sonja Heny.

De eerste grote naoorlogse Amerikaanse operette  die in  Maastricht werd uitgevoerd was evenals ‘The Desert Song’ van Sigmund Romberg: ‘The Student Prince[3]. In Maastricht werd dat ‘Prins Student’, een romantisch niemendalletje qua verhaal dat zich nota bene in de Duitse studentenstad Heidelberg afspeelde. Het was het juiste lichtvoetige muzikale amusement voor het naoorlogse uitgaanspubliek, dat enkel verstrooiing zocht in de zoetgevooisde melodieën van Romberg. Die muziek smaakte naar meer en daar was dan… The Desert Song.

De regie van de uitvoeringen was in die jaren in handen van Jef Baarts en de muzikale leiding was in handen van Martin Koekelkoren. Het ballet was ‘gedrild‘ door Wally Haacke.

De dood van de ‘Rode Schaduw’ [4]

De mannelijke hoofdrol in de Maastrichtse uitvoering van Het Lied der Woestijn, de rol van de Rode Schaduw, werd vertolkt door Mathieu Boesten uit Borgharen.

“Er gaat een siddering door het theater als de ‘Rode Schaduw’ opduikt. De roverhoofdman draagt een masker en een bloedrode mantel. Hij zingt:

’t Zand glinstert in sterrenschijn

En als we daar samenzijn

Ruist er wind suis’lend een sluimerlied

Als de maan dan lachend ons ziet

Mijn liefste!

 

Om deze rode schim draait alles in de musical Het Lied van de Woestijn (The Desert Song).  Sigmund Romberg componeert het werk, dat hij aanvankelijk My Fair Lady noemt. Die titel ‘doet’ het echter niet…

Het lied van de woestijn is ná de Tweede Wereldoorlog tien, twaalf jaar lang de kaskraker in het Valkenburgse Openluchtheater. Daar, tussen rotsen, bomen en struiken, bloeit telkens weer het wonder dat theater heet open. En bij het doven van de schijnwerpers gaat het applaus over in gejuich als de ‘Rode Schaduw’ hoofs neigt. Een bééld van een man, rijzig met een krachtig innemend gelaat en zwart-blauwe lokken. Hij speelt de sterren van de hemel en heeft een stem van roestvrij edelstaal. Heel het theater zwijmelt bij de grote aria One Alone:

Een slechts een, ja een alleen

Is voor mij toch slechts uitverkoren

Een alleen en anders geen

Kan maar voor eeuwig mij toebehoren.

 

Dames werpen bloemen op het toneel, sturen tuiltjes, maken bijna ongegeneerd avances. Ze krijgen nimmer antwoord. Wie is die geheimzinnige, grootse ‘Rode Schaduw’?  Zijn naam is Mathieu Boesten. Afkomstig uit het Maasdorp Borgharen; weggeplukt uit de melkerij. Een boerenknul. Onwijs inzake zijn talenten, ongeschoold op vrijwel alle fronten.

Na de voorstelling dromt het publiek samen aan de artiestenuitgang. ‘Waar is de Rode Schaduw?’ vragen de dames giechelkonterig. De sjofele man die op zijn krakkemikkige fiets springt, valt niet op. Daar gaat de ‘Schaduw’. Bijgelicht door een stinkende carbidlamp  peddelt hij naar Hare.

Soms neemt hij de bloemen mee. Voor mam. Eens een hele mand zwoel geurende rozen. Achter op de bagagedrager, vastgebonden met een eindje touw. Acht maal is die nacht die mand van de fiets gedonderd. Er waren alleen nog steeltjes over…

Op een dag is de ‘Rode Schaduw’ niet op tijd in het theater. Paniek! Een band – het is nog oorlogsmateriaal – springt en Mathieu plakt ‘m aan de boorden van de gorgelende Geul. Om dit soort panne te voorkomen, krijgt de ‘Rode Schaduw’ vijf gulden. Voor een nieuwe band. Koor, orkest en ballet komen in opstand: ze willen ook een fietsband…

Dan wordt het stil rond Mathieu Boesten. Hij zingt af en toe een kleine rol bij de ‘Zuid Nederlandse Opera’. ‘Valentin’ in Faust, ‘Monterone’ in Rigoletto of ‘een lakei’ in Die lockere Odette. Mathieu sleept tenslotte met decors en trekt per vrachtwagen van theater naar theater. Het is ongehoord pover en ver beneden zijn groot talent.

Op 30 juni 1965 keert Mathieu Boesten tegen de avond terug uit Venlo. In de vrachtwagen de decors van de opera Les Pêcheurs des Perles. Ter hoogte van Sittard wordt Mathieu Boesten onwel. Zijn collega’s en vrienden Jan Knubben en Harrie Wynans dragen hem voorzichtig uit de cabine. Ze leggen hem in het warme gras. Daar sterft de

‘Rode Schaduw’. Langs de autobaan, terwijl de rode avondzon verdrinkt in het Limburgse Land.”  Mathieu Boesten werd begraven op de Algemene Begraafplaats  aan de Tongerseweg.[5]

One alone – een alleen en anders geen

Ik open de roestige scharnieren van het deksel van een ouderwets bruin kartonnen  reiskoffertje. Het ding zou van ellende uit elkaar vallen, ware het niet dat een al even oude cracquelé riem het deksel op zijn plaats houdt. Dit is het foto archiefje van mijn overleden ouders. Er vallen ouderwetse negatieven op de grond, foto’s in vergeelde Kodak enveloppen, foto’s uit de jeugdjaren van mijn ouders. Ik open de zoveelste vergeelde enveloppe… daar is de foto waarnaar ik op zoek was; daar zitten ze, de kameeldrijver en de haremdame. Mijn moeder met haar ravenzwarte haar kijkt nieuwsgierig lachend naar de camera – de foto werd waarschijnlijk gemaakt door Math Knoben, fotograaf in de Frankenstraat – mijn vader kijkt enigszins sceptisch, voelt zich een beetje ‘weird’  met zijn Oosterse hoofddeksel; hij kijkt van onderop naar de fotograaf. Op een andere foto kijkt hij  lachend naar zijn haremdame; mijn moeder trouwens ook… met een stralende lach.

De twee zongen allebei in het koor van de Mastreechter Operette Vereiniging.

Mijn vader had vaker kleine rolletjes gespeeld in Maastrichtse dialectstukken van Fons en Guus Olterdissen. Hij had als ‘gamin’ van zeven een rolletje gespeeld in de Kaptein van Köpenick en in Trijn de Begijn. Als zoon van de vaste grimeur van de Bonbonnière en kapper – aanvankelijk op het Körverspleintje waar mijn vader geboren is, later vestigde mijn bompa, peetoom en naamgenoot Jacques zich met zijn kapsalon in de Wijcker Grachtstraat –  was hij makkelijk in zo’n kinderrolletje gestapt.

Mijn ouders leerden elkaar kennen in het koor van de operettevereniging tijdens  de repetities voor die andere Romberg hit ‘Prins Student’, die kort na de oorlog op de Maastrichtse planken werd gebracht. Ze trouwden op 31 augustus 1949. Tijdens de huwelijksreceptie bracht het koor van de operettevereniging hun een muzikale hommage door een groot aantal songs uit het ‘Lied der Woestijn’ te vertolken.

Zo werd de aanstekelijke muziek van deze Amerikaanse operette de soundtrack van hun  huwelijksleven. Mijn vader wist ons kinderen altijd te vermaken (steevast tijdens de afwas) door hele stukken uit de Romberg operettes ‘Desert Song’ en ‘Student Prince’ voor ons te zingen, waarbij hij heel plastisch zwaaiend met de afwaskwast als was dat ’t kromzwaard van de Rode Schaduw, de spannende intrige van Pierre Birabeau (en Margot) aan ons vertelde. Wij hingen als kinderen aan zijn lippen! Tot besluit van zijn ‘afwas optredens’ zong hij speciaal voor mijn moeder uit volle borst het liefdeslied van de Rode Schaduw.

Mijn vader (geboren op 5 mei 1925) is niet oud geworden; hij overleed op 28 november 1993. Mijn moeder (geboren op 4 november 1924) heeft hem twee decennia overleefd; ze overleed op 26 januari 2014. Tijdens haar crematie op 1 februari 2014 weerklonk ‘One Alone’ in de opname van Mario Lanza, alsof mijn vader nog een keer zong:

een alleen en anders geen!

Geraadpleegde literatuur

Jac van den Boogard,  Mestreechs Muziek Tejater, in: Crescendo, Maastricht 2012, pp 38-

40

Jac van den Boogard, Bronsgroen eikenhout, in: Maaike Meijer, Peter Peters en Jac van den Boogard,  Rieu, Maestro zonder grenzen, Maastricht 2015, pp 165-209

Jac van den Boogard, autobiografisch notities, 29 juli 2016

Rob Erenstein, Frans Meewis en Rezy Schumacher, Maastricht theatergezicht, Maastricht 1987.

Huub Noten, Tuinen van stilte, Maastricht 1998, een uitgave van Veldeke Krink Maastricht, pp. 59-60.

Robert A. Simon, Notes on The Desert Song, © by Radio Corporation of America, 1960

Wikipedia, passim.

[1] Mario Lanza, The Desert Song. Stereo LSC-2440-B, RCA Victor.

Stereo-orthophonic High Fidelity Recording, 1960.

‘His fabulous voice lives on in this great new recording.’ Vermeldt de hoestekst. Orchestra and chorus conducted by Constantine Callinicos; Judith Raskin, sopran; Raymond Murcell, bariton; Donald Arthur, bass.

De grammofoonplaat werd gedigitaliseerd en als cd gerealesed eind jaren 1980: Mario Lanza sings songs from The Student Prince and The Desert Song, RCA 1989.

[2] Robert A. Simon, Notes on The Desert Song, for the RCA recording, 1960.

[3] In 2007 betekende de reprise van de Amerikaanse operette ‘Student Prince’ van Sigmund Romberg een kassucces voor de Mestreechter Operette Vereiniging.

[4] In zijn boek ‘Tuinen van stilte’ (1998) beschreef wijlen Huub Noten ‘De dood van de ‘Rode Schaduw’. Het is zo’n kostelijke tekst dat ik die hier graag integraal citeer.

[5] In Huub Notens, Tuinen van Stilte, werd de plek waar het graf van de Rode Schaduw lag nog in kaart gebracht. Anno 2017 is zijn graf kennelijk geruimd; in het register van de Algemene Begraafplaats is Mathieu Boestens graf niet meer te traceren.